Tussen twee delen van een samenstelling: knuffel-beest, school-feest, groeps-excursie.
Na een voorvoegsel: ont-dekken, her-overwegen, on-zeker.
Voor achtervoegsel dat met een medeklinker begint én voor de achtervoegsels -achtig en -aard: werk-ster, fortuin-lijk, rood-achtig, lui-aard.
Tussen twee klinkers die als losse klanken worden uitgesproken: be-amen, ge-uite, draai-en.
Voor enkele medeklinker die middenin het woord staat - de ch telt voor één letter en gaat door naar het volgende woorddeel: de-len, ru-we, la-chen.
Tussen twee medeklinkers die middenin het woord staan: tik-ken, wer-ken, rin-gen.
Als er drie of meer medeklinkers middenin het woord staan, blijven rechts van het streepje zoveel medeklinkers bij elkaar als je uit kunt spreken: ek-ster, amb-tenaar, gun-stig.
Woorden met het achtervoegsel -tje schrijf je soms anders als je ze afbreekt: strootje - stro-tje, parapluutje - paraplu-tje.
Bij afbreken is een trema niet meer nodig: geëvenaard - ge-evenaard, financiële - financi-ele.
Voor en na de x wordt niet afgebroken: boxen, faxen, exa-men, exo-tisch.