Beknopte bijzinnen zijn evenals gewone bijzinnen zinsdelen of zinsdelen van een hoofdzin. Toch zijn er verschillen ten opzichte van de gewone bijzinnen:
Dirk verzekerde me Henk niet te kennen.
Het onderwerp en de persoonsvorm ontbreken hier.
De volledig bijzin zou luiden: Dirk verzekerde me dat hij Henk niet kende.
Hier is het onderwerp 'hij' wel uitgedrukt, evenals de persoonsvorm 'kende'. De 'hij' van de bijzin is 'Dirk' van de hoofdzin. Het onderwerp is er dus niet in de beknopte bijzin, maar je weet wel welk onderwerp bedoeld is. In dat geval spreek je van een schimonderwerp. Het schimonderwerp komt verderop nog ter sprake bij het onderdeel 'foutieve beknopte bijzin'.
Nog van zijn schrik bekomend, zag hij plots een nieuw gevaar.
De volledige bijzin zou luiden:
Terwijl hij nog van zijn schrik bekwam, zag hij plots een nieuw gevaar.
Hier is het onderwerp (hij) wel uitgedrukt, evenals de persoonsvorm (bekwam). Door er het onderschikkend voegwoord 'terwijl' aan toe te voegen, vervang je de beknopte bijzin door een volledige bijzin.
Beneveld door de alcohol, struikelde hij over de stoeprand.
De bijzin staat in de voltooide tijd. Om die reden bevat de bijbehorende beknopte bijzin geen tegenwoordig deelwoord, maar een voltooid deelwoord. Verder gelden hier dezelfde regels als die bij de beknopte bijzin met een tegenwoordig deelwoord.
De volledige bijzin zou dan ook luiden: Omdat hij beneveld was door de alcohol, struikelde hij over de stoeprand.
Hij zei om 8 uur te (zullen) afreizen.
Een voordeel van het weglaten van modale hulpwerkwoorden is dat je tekst beknopter wordt.
Foutief gebruik van de beknopte bijzin levert vaak stijlproblemen op. Een veel voorkomende stijlfout is dat het weggelaten onderwerp van de beknopte bijzin niet het onderwerp van de hoofdzin is.
Nog maar net onderweg, barstte er een ruit. wordt Toen de ruit nog maar net onderweg was, barstte hij.
Een beknopte bijzin kun je hier niet gebruiken. Schrijf hier een volledige bijzin:
Toen wij nog maar net onderweg waren, barstte er een ruit. == voorbeeld 2: ==
Gezeten op het terras, fietsten de wielrenners voorbij.
moet zijn:
Gezeten op het terras zagen we de wielrenners voorbij fietsen.