« Terug naar overzicht

overzicht_literatuur

Map: lezen

Van de Middeleeuwen tot en met de Renaissance

Inleiding

1. De term Nederlands

  1. Oorsprong: Het Nederlands maakt deel uit van de grote taalfamilie van het Indogermaans.
  2. Periodisering: Men onderscheidt in het Nederlands drie perioden:
  3. Het Oudnederlands: Voor de 12de eeuw. Slechts zeer weinig documenten zijn ons uit die periode overgeleverd (o.a. een psalmvertaling en een vers uit de 11de eeuw: "Hebban olla vogala nestas bigunnan hinase hi(c) anda thu").
  4. Het Middelnederlands: Tot einde 15de eeuw.
  5. Het Nieuwnederlands: Vanaf de 16de eeuw, met op alle terreinen een overwicht van Holland.
  6. Opmerking: In de Middeleeuwen gebruikte men niet de term Nederlands, maar "diets" (in Vlaanderen) en "duuts" (in Brabant en Holland). Door diftongering ontstond uit "duuts" later "duits". Omdat die laatste term verwarring kon brengen met het Duits in Duitsland, begon men na 1500 "Nederlands" en "Nederduits" als term te gebruiken. De term Nederduits verdween in de loop van de 19de eeuw.

2. Socio-culturele en politieke achtergronden in de Middeleeuwen

  1. Politiek: De Middeleeuwen omvatten een periode van 10 eeuwen (500 tot 1500), maar voor de Nederlandse literatuur zijn alleen de laatste 5 eeuwen belangrijk. Vlaanderen is op dat moment een leen van Frankrijk, maar stelt zich erg onafhankelijk op. Brabant maakt aanvankelijk nog deel uit van het Duitse Rijk, maar daar komt in 1288 een einde aan (Slag bij Woeringen). Vlaanderen weerstaat lang aan de druk van Frankrijk, maar moet tenslotte bezwijken voor de hertogen van Bourgondië, die vanuit Brabant een nieuwe staatkundige eenheid scheppen die zal overgaan in het keizerrijk van Karel V. Politiek staat tot de helft van de 14de eeuw Vlaanderen het sterkst; daarna komt Brabant aan de beurt.

  2. Sociaal (Feodale samenleving / Standenmaatschappij):

  3. Adel: In de vroege Middeleeuwen nog zeer machtig, maar weinig cultureel geïnteresseerd.

  4. Geestelijkheid: Een diep gewortelde christelijke levensbeschouwing met gemeenschapsidealen (de samenleving komt voor het individu, vandaar o.a. de bouw van talrijke kathedralen en de kruistochten). Ook het cultureel leven werd door de geestelijkheid bevorderd (kloosterscholen, schrijven en bewaren van handschriften). Later in de Middeleeuwen leidde de grote macht van de geestelijkheid tot misbruiken, verlies van vertrouwen en uiteindelijk de grote scheuringen in de kerk (Reformatie).

  5. Burgerij: In de vroege Middeleeuwen nog tamelijk onbeduidend, maar vanaf het midden van de 11de eeuw steeg de macht van de steden aanzienlijk door meer zekerheid/veiligheid binnen de stadsmuren en steun van de adel (o.a. de graaf van Vlaanderen). Omstreeks 1200 waren Gent, Brugge en Ieper echte machtsblokken.

  6. Cultureel:

  7. Adel: Troubadours en minstrelen vervaardigden ridderromans op rijm en droegen die voor aan adellijke hoven. De ridderromans stammen uit Frankrijk; onze Nederlandse ridderromans zijn hoofdzakelijk navolgingen.

  8. Geestelijkheid: Middeleeuwse devotie leidde tot verhalen over het leven van Maria, Christus en heiligen. In de 13de eeuw ontstond de mystiek, parallel met de bloei van het kloosterleven.

  9. Burgerij: De literatuur van de burgerij kwam pas later op de voorgrond en is realistischer en zakelijker van aard (dierenverhalen, didactiek en volksboeken).

Middeleeuwen

I. De wereld van de ridder: epiek

De ridderroman

  1. De begrippen voorhoofs en hoofs:

  2. Voorhoofse epiek: Het ridderideaal geldt als het hoogste ideaal (dienst aan de heer, vriendschap, riddertrouw). De vrouw is totaal onbelangrijk en ondergeschikt.

  3. Hoofse epiek: Cultuur die zich vanaf de 12de eeuw vanuit de Provence naar het noorden uitbreidde (Provençaalse minnelyriek). Riddereer en riddertrouw worden ten dienste gesteld van onschuldigen en zwakken. Ridderlijke liefde wordt vrouwenverering.

  4. Nota: Een ridderroman is geen modern proza, maar een lang episch gedicht (rijm- en strofevorm als mnemotechnisch middel).

  5. Soorten ridderromans:

  6. Voorhoofs / Frankische of Karelromans: Voorbeelden: Karel ende Elegast, Reinout van Montalbaen, Het Roelandslied.

  7. Hoofs / Keltisch-Britse romans: Stof ontleend aan Keltische verhalen rond Arthur en de ridders van de Tafelronde (Lancelot, Gawain, Parcifal, Tristan). Voorbeelden bij ons: Walewein, Ferguut.

  8. Klassieke romans: Stof ontleend aan de klassieke oudheid (Troje, Alexander de Grote), vol historische onjuistheden en anachronismen. Voorbeelden: Eneit, Historie van Troyen (Jacob van Maerlant).

  9. Oosterse romans: Stof ontleend aan het Oosten (via de kruistochten). Voorbeeld: Floris ende Blancefloer.

  10. Opmerking (Epische concentratie): Het toeschrijven van gebeurtenissen aan één bepaald persoon, hoewel die reeds vroeger bij andere personen gebeurd waren (bijv. Reinout van Montalbaen).

II. De wereld van het geloof

  1. Inleiding: De invloed van de kerk was erg groot op religieus vlak (beweging van Cluny en Cister), cultureel vlak (kloosterscholen) en politiek vlak (Investituurstrijd in de 12de eeuw tussen keizer en paus).

  2. Indeling:

  3. Epiek:

  4. Heiligenlevens (hagiografie): Verhalen van zendelingen en hun mirakels (bijv. Hendrik van Veldeke: Sinte Servaes, De reis van Sinte Brandaen).

  5. Legenden: Voornamelijk Marialegenden (bijv. Beatrijs, Theophilus). Kenmerken: didactisch-moraliserend, parallellen tussen vrouwenverering en Mariaverering.

  6. Lyriek & Mystiek:

  7. Mystiek: Beweging uit de 12de eeuw die ernaar streefde nog voor de dood een eenheid met God tot stand te brengen (vergelijk met het ontstaan van begijnhoven).

III. De wereld van de burger

  1. Inleiding: Vanaf de 13de eeuw kenden de steden hun grootste bloei. Voor het eerst werd de samenleving maatschappijkritisch bekeken en werden misbruiken bij kerk en adel aangeklaagd.

  2. Epiek (Dierenepiek):

  3. Ontstaan: Uit de klassieke oudheid (Aesopos, Phaedrus) en de Latijnse Isengrimus (magister Nivardus, ca. 1150). Middelnederlandse voorbeelden: Esopet en Van den vos Reynaerde.

  4. Van den vos Reynaerde (ca. 1200): Geschreven door Willem die Madoc maekte (Oost-Vlaanderen). Het is een satire op de maatschappij (adel, geestelijkheid en volk):

  5. Adel: Nobel (leeuw - hebzucht), Bruun (beer - roofridder/profiteur), Isengrim (wolf - roofridder), Courtoys (hondje - hoveling), Tibeert (kater - intrigerende hoveling).

  6. Geestelijkheid: Belijn (ram - hofpredikant, dom/goedgelovig). Geestelijken worden afgeschilderd als smulpapen, profiteurs en wellustelingen.

  7. Volk: Hoofdzakelijk afgebeeld als dom.

  8. Bronnen: Isengrimus en Le Plaid (uit de Franse literatuur).

IV. Lyriek: Het Middeleeuws Lied

  1. Inleiding: Onderscheid tussen het volkslied (eerst mondeling overgeleverd, pas later opgetekend) en het cultuurlied (bewust geschreven door een kunstenaar). Vanwege de afwezigheid van de boekdrukkunst was herhaling via rijm en melodie essentieel.

  2. Wereldse liederen:

  3. Soorten: Rondeel (13 regels, 2 rijmklanken, terugkerende regels; bijv. Egidius), Clausulen (strofische dichtvorm van 13 regels, gebruikt door o.a. Jacob van Maerlant).

  4. Vormen: Minneliederen, elegie (klaaglied), ballade (episch-lyrisch, tragisch; bijv. Heer Halewijn), romance (sentimenteler, goede afloop), drinklied, danslied, historisch lied, wachterlied.

  5. Handschriften:

  6. Het Gruuthuse-handschrift: Bevat vrome en amoureuze liederen (o.a. Jan Moritoen).

  7. Het Antwerps Liedboec (1544): Bevat veel hervormingsgezinde liederen en geuzenliederen.

De Rederijkers

I. Achtergronden

  1. Renaissancistische invloeden: Meer vertrouwen in het individu tegenover de gemeenschapskunst van de Middeleeuwen.

  2. Bourgondisch hof te Brussel: Begin van de Franse invloed. Brabant voerde de boventoon en verspreidde de diftongering.

  3. Economische hegemonie van Brabant: Toenemende rol van Antwerpen door de verzanding van het Zwin.

  4. Liquidatie van het feodaal stelsel: Ontdekkingsreizen brachten kennismaking met andere culturen; de adel verloor invloed.

  5. Boekdrukkunst (ca. 1450): Uitgevonden door Gutenberg (Plantijn in Antwerpen, Coster in Haarlem). Ideeën verspreidden zich sneller.

II. Ontstaan rederijkerskamers

  1. Ontstaan: Stedelijke burgerij verenigde zich om zich te oefenen in dichten, voordragen en toneelspelen (afgeleid van het Franse "rhétoriqueur").

  2. Indeling: Bevatten een patroonheilige, kenspreuk, voorzitter (prince) en artistiek leider/dichter (factor). Ze organiseerden ommegangen en landjuwelen (toneelwedstrijden).

  3. Opvattingen en genres: Literatuur werd gezien als een aan te leren ambacht met strenge regels.

  4. Genres: Refreinen (met een vaste "stok" en afsluiting gericht aan de prince), rondelen, ballades.

  5. Indeling: Poëzie in het vroede (ernstig), boertige (zot), en amoureuze. (Belangrijk auteur: Anthonis de Roovere).

De Renaissance

I. Achtergronden en begrip

  1. Wedergeboorte van de Klassieke Cultuur: Begon in Italië in de 14de eeuw (Dante, Petrarca, Boccaccio). Het begrip stamt af van het Italiaanse "rinascita".

  2. Aardse gerichtheid: Losmaken van de middeleeuwse maatschappelijke structuren. Rechten van het individu kwamen op de voorgrond (Machiavelli). Kunstenaars begonnen hun werken te ondertekenen.

  3. Het Humanisme: Geleerden die in het Latijn schreven en verdraagzaamheid propagereerden (Erasmus: Lof der Zotheid). Zuivering en verheerlijking van de volkstaal (Simon Stevin, Kiliaan).

  4. De Hervorming:

  5. Oorzaken: Verzet tegen kerkelijke misbruiken (aflaten, corruptie) en aftakeling van het kerkelijk prestige (Westers Schisma).

  6. Stromingen: Anabaptisten, Lutheranen, Calvinisten.

  7. Gevolgen: Ontstaan van polemische literatuur (geuzenliederen, Marnix van St.-Aldegonde) en de creatie van een eenheidstaal via Bijbelvertalingen (zoals de Statenbijbel in 1637).

  8. Ontdekkingsreizen: Vasco da Gama, Columbus, Magelhaes.

  9. Stijgende welvaart: Machtstoename van de burgerij en internationale handel.

  10. Vooruitgang van het wetenschappelijk denken: Copernicus, Galileï, Da Vinci, Vesalius, Stevin, Dodoens, Mercator.

Deel 2: Van de Gouden Eeuw tot de Modernste Poëzie

De Gouden Eeuw

A. Algemene kenmerken

  1. Militair en politiek: Adempauze door het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), officieel erkend bij de Vrede van Münster (1648).

  2. Welvaart: Koloniale handel via de VOC; opkomst van de burgerij als heersende stand in Holland.

  3. Cultuur en Wetenschap:

  4. Literatuur (De grote vijf): Hooft, Bredero, Vondel, Cats, Huygens.

  5. Schilderkunst: Rembrandt, Vermeer, Frans Hals.

  6. Wetenschap & Filosofie: Christiaan Huygens, Leeuwenhoek, Spinoza, Descartes.

  7. Rederijkerskamers: Egelantier, Het Wit Lavendel, De Nederduytsche Academie (1617).

B. Voornaamste vertegenwoordigers

  1. Pieter Corneliszoon Hooft

  2. Gerbrand Adriaenszoon Bredero

  3. Joost van den Vondel

  4. Constantijn Huygens

De Romantiek

A. Achtergronden en kenmerken

  1. Ontstaan: Reactie tegen het verstarde classicisme en het rationalisme van de Verlichting. Afgeleid van het Engelse "romance" en "romantic".

  2. Invloeden: J.J. Rousseau (terugkeren naar de natuur). Opkomst van de burgerstand, aanvankelijke bewondering voor de Franse Revolutie, gevolgd door ontgoocheling door het schrikbewind en Napoleon.

  3. Kenmerken:

  4. Algemeen: Gevoel van onvrede met zichzelf en de maatschappij (Weltschmerz, Sehnsucht, Spleen, Sturm und Drang).

  5. Hyperindividualisme: Opstandigheid tegen de burgerij, de stad en conventies.

  6. Nadrud op gevoel: Vaak uitmondend in sentimentaliteit, pathos en bombast.

  7. Escapisme (Vlucht uit de werkelijkheid):

  8. Het verleden: Historische romantiek en opkomend nationalisme (Conscience: De Leeuw van Vlaanderen; Potgieter, Scott, Dumas).

  9. Het exotische: Liefde voor primitieve en vreemde culturen.

  10. De natuur: Ongerepte natuur als bron van rust (The Lake Poets, Gezelle).

  11. De godsdienst: Hunkering naar het mysterieuze en bovenzinnelijke.

  12. De zuivere fantasie: Sprookjes (Grimm, Hoffmann), griezelverhalen (Gothic novel, Mary Shelley, E.A. Poe) en vroege sciencefiction (Verne, Wells).

B. Indeling

  1. De Pre-romantiek: Revolutionaire ideeën en overdreven gevoeligheid in brievenromans (Chateaubriand, Goethe, Schiller).

  2. De Romantiek in de Nederlanden:

  3. Zuid-Nederland: Gematigd en moraliserend, vooral gericht op verzet tegen de Franse overheersing. (Uitzondering: Guido Gezelle).

  4. Noord-Nederland: Burgerlijk en benepen. (Uitzondering: Multatuli).

C. Twee belangrijke figuren

  1. Multatuli (Eduard Douwes Dekker, 1820-1887):

  2. Leven: Assistent-resident in Lebak (Java). Hij verzette zich tegen de uitbuiting van de bevolking door de inlandse hoofden en nam teleurgesteld ontslag.

  3. Max Havelaar: Kaderroman bestaande uit drie delen (het verhaal van Droogstoppel, Havelaar verteld door Stern, en de oproep van Multatuli zelf). Bevat autobiografische elementen, redes, parabels en gedichten.

  4. Personages: Droogstoppel (bekrompen koffiemakelaar), Sjaalman (verarmde ambtenaar/Douwes Dekker), Stern, Slotering, Slijmering, Raden Adipati, Tine.

  5. Guido Gezelle (1830-1899):

  6. Leven: Geboren in Brugge, leraar te Roeselare, kapelaan en rector in Kortrijk.

  7. Kenmerken: Origineel taalgebruik (West-Vlaams taalparticularisme, neologismen, muzikaliteit), eenvoud, persoonlijke symboliek, en vermogen tot esthetische herschepping van de natuur.

De Vernieuwing in het Noorden: De Beweging van Tachtig

A. Achtergronden

  1. Voortschrijdende industrialisatie (realisme/naturalisme).

  2. Evolutietheorie van Darwin (milieu en erfelijkheid).

  3. Opkomst van de arbeidersbeweging en het marxisme.

  4. Het Impressionisme in de schilderkunst (Claude Monet, 1874).

B. Kenmerken

  1. Algemeen: Reactie tegen de moraliserende "predikantenliteratuur" van de 19de eeuw.

  2. Specifiek: Vermenging van romantiek, realisme, naturalisme, impressionisme, symbolisme en decadentisme.

  3. Twee stromingen:

  4. De Esthetische richting (Willem Kloos, Van Deyssel): "L'art pour l'art" (Kunst om de kunst). Kunst is passie en de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.

  5. De Ethische richting (Verwey, Van Eeden, Gorter, Henriette Roland Holst): Kunst moet in dienst staan van de gemeenschap (gemeenschapskunst).

  6. Oprichting: Literair genootschap Flanor en het tijdschrift De Nieuwe Gids (1885).

De Vernieuwing in het Zuiden: Van Nu en Straks

A. Achtergronden

  1. Niet-literair: Impressionisme, Wagner, Art Nouveau (Victor Horta), opkomst van het socialisme en stemrecht (1893).

  2. Literair: Brussel als cultureel centrum (La Jeune Belgique, Les XX). Invloed van de Tachtigers, maar ook van oudere Vlaamse auteurs zoals Guido Gezelle en Hugo Verriest.

B. Kenmerken

  1. Algemeen: Behoefte aan gelijkwaardigheid met de internationale literatuur.

  2. Specifiek: Synthetische levensvisie; verwerping van puur l'art pour l'art. Kunst groeit uit en staat ten dienste van de gemeenschap, zonder de vorm uit het oog te verliezen.

  3. Het tijdschrift Van Nu en Straks (1893): Opgericht door o.a. August Vermeylen, Cyriel Buysse, Stijn Streuvels, Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne.

Expressionisme en Vitalisme

A. Achtergronden

  1. Sfeer van maatschappelijk optimisme (en futurisme) voor 1914, wreed verstoord door Eerste Wereldoorlog.

  2. Schipbreuk van oude waarden leidt tot het ontstaan van het expressionisme, dadaïsme (Zürich, 1915) en vitalisme.

  3. Invloed van de Duitse expressionisten, de schilderkunst (Kandinsky, Munch, Latemse School) en het kubisme.

B. Stilistische kenmerken

  1. Nieuwe dynamische stijl los van tradities.

  2. Autonomie van het woord (focus op kernwoorden, zelfstandige en werkwoorden).

  3. Associatief taalgebruik en vrijere versvorm.

  4. Typografische experimenten.

  5. Thema's: de grote stad, techniek, vitaliteit vs. nihilisme en cultuurverval.

C. Vitalisme

Nederlandse variant van het expressionisme met een cultus van het intense leven, ervaring en de fysieke kracht ("de vent is belangrijker dan de vorm").


D. Tijdschriften & Vertegenwoordigers

  1. Vlaanderen: Tijdschrift Ruimte (1920-1921).

  2. Paul van Ostayen (1896-1928): Evolueerde van unanimisme (Music-Hall) via humanitair expressionisme (Het Sienjaal) en typografisch expressionisme (Bezette Stad) naar organisch expressionisme (Nagelaten gedichten / poésie pure).

  3. Nederland: Tijdschrift Het Getij (1916-1924).

  4. Vertegenwoordigers: Herman van den Bergh, Hendrik Marsman, J. Slauerhoff, E. du Perron, Menno ter Braak.

De Literatuur tussen de Wereldoorlogen

A. Achtergronden

  1. De Wall Street-beurskrach (1929) en de daaropvolgende massale werkloosheid.

  2. Opkomst van het fascisme en het nazi-regime in Europa.

B. Poëzie

  1. Voortzetting van expressionisme/vitalisme.

  2. Dichters die de maatschappelijke dreiging vertolken: Martinus Nijhoff en Gerrit Achterberg.

  3. Voortzetting van de poésie pure (Jan Engelman).

  4. Neoromantiek (Jan van Nijlen, J.C. Bloem).

Poëzie na WO II

A. De jaren 50 en begin 60: De Experimentelen (Vijftigers)

  1. Inhoudelijk: Breken met de traditionele poëzie; teruggreep naar avant-garde, dada en surrealisme. Tijdschriften: Podium, Cobra, Braak, Blurb. Dichters: Kouwenaar, Lucebert, Campert, Andreus, Elburg.

  2. Vormelijk:

  3. Democratisering van taal: elk woord kan poëtisch zijn.

  4. Verabsolutering van het beeld: zintuiglijke metaforen en synesthesie.

  5. Verabsolutering van klank en autonomie van de taal (bijv. Jan Hanlo).

  6. Doorbreken van de grammaticale regels en typografische vrijheid.

B. De jaren zestig: De Nieuwrealisten

  1. Inhoudelijk: Maatschappelijke bewogenheid (protest, anti-Vietnam, Woodstock, 'Mei 68').

  2. Kenmerken: Portretten van de alledaagse werkelijkheid; gebruik van readymades.

  3. Tijdschriften: Barbarber in Nederland (Bernlef, K. Schippers, C. Buddingh', Armando) en De Nieuwe Stijl in Vlaanderen (Herman de Coninck, Patricia Lasoen).

C. De jaren zeventig: De Neoromantiek

  1. Inhoudelijk: Reactie op de economische crisis en het verdwijnen van de idealen uit de jaren 60. Scepticisme, onzekerheid en een terugkeer naar klassieke romantische thema's.

  2. Vertegenwoordigers: Luk Gruwez, Miriam van Hee (Vlaanderen), Gerrit Komrij, Levi Weemoedt (Nederland).